Prose, RMW Festival 2014

Ik ben niet mooi

Ik ben niet mooi. Ik ben opgegroeid met die zekerheid. Mijn huid was te donker en mijn haar te kort. Ik haalde geen goede cijfers, en hoe aardig ik ook deed, nooit kreeg ik dezelfde blikken van affectie toegeworpen die mijn nicht ten deel vielen, noch hadden mensen voor mij dezelfde zachte vriendelijke toon waarmee ze mijn broer aanspraken die, zoals mijn oma dat zo bot kon zeggen, nou eenmaal ‘geler’ was dan ik.

Het is 1978, ik ben net zeven geworden, ik woon in een bedompte wereld. Er zijn veel geuren. Ik kan ze nog steeds ruiken. Ik slaap op een dunne handgemaakte matras. Ik heb zelf geholpen om die matras te maken. Onder het laken ligt een plastic hoes die ik hoor kraken als ik beweeg. Ik plas nog in bed, dus dat stugge plastic dat ik door het dunne laken heen kan voelen, en dat de toch al niet erg comfortabele matras nog oncomfortabeler maakt, ligt er nog wel even. Ik ben de enige die nog in bed plast. Misschien plassen alleen meisjes met een te donkere huid in bed. Ik stel veel vragen. Niet alleen aan mezelf, maar ook aan het licht dat door het gerasterde raam naar binnen valt. Het is het einde van het schooljaar, mijn vader zegt trots tegen iedereen dat ik al op de basisschool zit. Maar hij zegt nooit dat het niet uitmaakt of je een lichte of donkere huid hebt. Ik wil op mijn nichtje lijken (…)

Het is donker in mijn kamer. Ik kan me alleen maar die zelfgemaakte bedden herinneren, en de geur van pis, die niet uit de lakens of mijn kleren te wassen valt. Ik heb het idee, ten onrechte wellicht, dat alle gesprekken om mij heen gaan over mijn huidskleur. En ik kan aan niets anders denken dan aan het veranderen van mijn huidskleur. Kostte wat het kost. Zodat ik eindelijk de affectie zou krijgen die, zoals ik toen geloofde, onlosmakelijk verbonden was aan schoonheid, aan huidskleur. Er is misschien niets ergers dan een eenzaam kind.