Poetry

Poëzie: de dood leunt op zijn geweer…

De dood leunt op zijn geweer en eet nootjes om de tijd te verdrijven
Malaka Badr

Op weg naar het verdriet
kan ik niet huilen.
Huilen is net zo dwaas
als een staking die honderd keer is gebroken,
als een revolutie die zich duizend keer heeft herhaald,
als opstandige generaties die de gewenning,
- net als de dood -
met eigen ogen hebben gezien,
zodat ze de dood niet meer vrezen…

Is dat niet dwaas?
Ik bewaar een mes in mijn koffertje,
dat groot genoeg is voor mijn chaos,
maar te klein voor mijn geest…
Het is bestemd voor ‘misdaden’,
maar ik krijg het niet open.
Een nieuwe last op mijn gebogen schouder,
een nieuwe, verachtelijke last bovenop de dwaasheid der dingen.
Een dwaas mes voor een nog dwazere schurk,
die heeft besloten me lastig te vallen,
terwijl de geur van traangas nog om me heen hangt.
Hoe komen mensen eigenlijk aan hun lustgevoelens?
En hoe kunnen ze die vasthouden in dit zinloze moeras?

Mijn geliefde omhelst me in een donkere, smalle steeg.
Aan het eind ligt de dood op de loer.
Hoogmoed,
Wapens,
Liquidatie,
Teleurstelling,
Een rij soldaten met hepatitis C
wacht op ons:
twee geliefden, ‘staatsvijanden’.
We steken over…
Ik vloek zacht.
Mijn geliefde drukt mijn hand,
beheerst door een angst die onze vaders jarenlang heeft getemd.
Bij een kiosk kopen we goedkope zakdoekjes.
We drenken ze in water, in de ijzige kou,
en vegen er onze stoffige kleren mee schoon,
uit angst dat onze ouders ons
zullen straffen voor een vlaag van eergevoel.
We reinigen de glazen vol bloedige tranen die uit onze ogen vloeien,
nadat de traangasbommen onze menselijkheid al hebben aangetast.
Vijfentwintig dollar voor een traangasbom,
de prijs van een nierdialyse.

Ik heb medelijden met de hepatitis,
die leunend op zijn geweer wacht tot hij bevel krijgt om op ons te schieten.
Ik geef hem een handvol nootjes.
Hij bedankt de ‘dame’ die hij
daarnet nog met zijn stok heeft bewerkt.
Mijn geliefde zal hierna maandenlang
geen nootjes meer kunnen eten,
als hij met een mond vol gebroken tanden uit de gevangenis komt.

Ontsnappen is dwaas.
We ontsnappen aan de kogels.
Onze buiken zwellen op van het eten
en storen zich niet aan de verdwaalde patroonhulzen.
Ik maak mijn ogen zwart en negeer de rubber kogels
die mijn ogen zwarter kunnen maken dan ik,
niet tijdelijk, maar voor altijd…
We ontsnappen zelfs aan de patronen met vervuild water,
die weigeren de brand in ons hart te doven.

Dan worden we vertrapt door de opstandelingen.
Door de paniek.
Door de decennia van demagogie en collectief bewustzijn
We worden vertrapt door onze eigen moed,
omdat we zijn opgestaan tegen de brandende vloed.

We hebben geleerd
om alleen nog op te staan
als er een rouwstoet van een vriend langskomt,
die net zo dwaas was als wij
en die eindelijk de titel ‘martelaar’ heeft gekregen.

Vertaling: Djûke Poppinga