Prose, RMW Festival 2013

Proza: een oorlog (fragment)

‘Waar ga je naartoe?’

‘Naar huis. Ik heb vis meegebracht.’

‘Er is een demonstratie.’

‘Waar?’

‘Naar de grote weg, buiten de stad.’

‘Tegen wie?’

‘Tegen de oorlog. Tegen Israël.’

‘Wanneer?’

‘Nu, kom mee!’

‘Nee, ik kan niet. Ik kom wel later.’

‘Hoezo later? Ik zeg je dat die demonstratie nu is.’

‘Die oorlog duurt nog zo lang! Ik ga morgen wel demonstreren.’

‘Een andere dag heeft geen zin. De actie van het volk moet vanaf nu beginnen. De overheid moet weten dat dit een misdadige, weerzinwekkende oorlog is, die Libanon zal vernietigen. Ik bedoel: is hier nooit iemand ontvoerd, afgezien van de soldaten? En wat zeg je van al die duizenden Palestijnen in de gevangenissen? En de Libanese gevangenen? Die kunnen zeker de pot op?’

‘Kom, zeg, dat verhaal ken ik nu wel. Maar ik moet een manier vinden om aan een paspoort te komen.’

‘Waarom? Wat is er met je paspoort gebeurd?’

‘Het is verlopen en ik ga op reis naar Engeland.’

‘Naar Engeland? In deze toestand?’

‘Wat heeft deze toestand daarmee te maken? In Engeland heb je geen Katyucha’s.’

‘Er is een oorlog aan de gang, man, een oorlog! Heb je dat niet gezien?’

‘En wat wil je dat ik daaraan doe? Moet ik soms Katyusha’s gaan vangen voordat ze op de grond vallen?’

‘Wat ben jij defaitistisch. Zo ken ik je niet.’

‘Het is al goed. Laat me maar met rust en moge God je genadig zijn. Bye.’

‘Dus je komt niet.’

‘Nee.’

‘Dat is misschien maar beter ook. Ik hoop dat Londen je goed zal doen.’

‘Oké.’

 

Vertaling: Djûke Poppinga