Prose, RMW Festival 2013

Proza: Elke Geurts

Elke Geurts zal op zaterdag 14 september een verhaal voorlezen dat zij schreef bij het uitzicht van één van de buitenlandse gasten van het Read My World Festival. Hieronder kun je de eerste duizend woorden lezen uit haar roman De weg naar zee, die op 17 oktober zal verschijnen bij De Bezig Bij.

Ze zijn op weg naar zee. Dat houdt ze zichzelf voor. Nee, dat zijn ze ook. Ze zou de zooi – kleed, handdoeken, emmer en schep, picknickspullen – toch zeker niet voor niets meeslepen? Daar bovenop ligt haar dochter. Breeduit. Uitpuilend. Pal in de zon. Ze trekt de bolderkar door het hete zand. Het is zomer. Te veel zomer. Nergens een buutvrijplek van de zomer. Summer is zwaar als een betonblok. Altijd al. Zodra ze vervoerd wordt, slaapt ze. Ook al is ze inmiddels zeven.
Ze kan zich bij mij goed ontspannen, denkt ze, van iedereen op de wereld voelt ze zich het veiligst bij haar moeder. Ik moet het als een compliment opvatten.
Ze weet niet meer hoe lang ze hier loopt. Wanneer is ze met bolderkar en al op het paardenpad beland? Haar dochter snurkt nu zwaar. De kno-arts had beloofd dat dat minder zou worden als de amandeltjes geknipt waren, maar dat is dus ook al niet waar, met elke stap die ze zet, lijkt het snurken luider te klinken.
‘Laat het gaan, Tessa,’ zegt ze hardop. ‘Je bent er bijna. Je moet er bijna zijn.’
Tessa stopt even om een handdoek over het gezicht van haar dochter te draperen. Voorzichtig dept ze de kin van het meisje droog. Alle mensen kwijlen in hun slaap. Ze moet de tere huid beschermen tegen de straling. Zon op het littekenweefsel is gevaarlijk. Het veroorzaakt zwellingen en roodheid. Het hoofd hangt over de rand van de kar. Zo’n kinderhoofd kan onvoorstelbaar ver naar achteren buigen. De lintjes van de zonnehoed verdwijnen haast in het vlees van haar wangen. Ze voelt. De strik zit goed vast, maar niet té vast. Met één hand houdt Summer de platte plastic haai tegen zich aan gedrukt, als een knuffel.
Kon ze haar ook maar even leeg laat lopen. Het lichaam vastpakken en het net zo lang en hard tegen zich aandrukken tot alle lucht eruit verdwenen was. Ze zal haar netjes opvouwen, haar in de strandtas stoppen, om haar weer op te blazen als ze er zijn. Haar pas zal licht en soepel zijn.
Tessa’s hemd plakt aan haar lijf, haar rokje en bovenstukje zijn doorweekt. Ze sjort het bikinibroekje terwijl ze loopt steeds tussen haar billen uit. Seafolly is geen goedkoop merk, maar geen enkele bikini is bedoeld om zo lang in te lopen, hoogstens om over strand of boulevard te flaneren. Het zou kunnen dat haar billen breed zijn, maar niet dik. Ze draagt meestal large of een Duitse medium. Breed is bouw, daar doe je niets aan. Dik worden is een keuze. Niet die van Tessa.
‘Op je veertigste ben je het aan je lijf verplicht een goede bikini te kopen,’ zei haar vriendin Gina van de week bij het ontbijt. ‘Als je ook maar een beetje om jezelf geeft tenminste.’
Hieruit mag ze concluderen dat ze om zichzelf geeft, en om haar dochter dus nog meer. Ze had voor Summer twee Seafolly’s aangeschaft. Het stelt haar gek genoeg gerust.
‘Wat hebben we een geluk met het weer,’ hoort ze Gina opnieuw zeggen. ‘Het had zomaar de hele week kunnen regenen.’ Iets te veel geluk, dacht ze. Iets te veel. Ze had ‘nou en of’ gezegd. Om het goed te houden.

Ze kenden elkaar al sinds de basisschool. Ze kwamen uit hetzelfde dorp. Ze verhuisden naar dezelfde stad. Ze trouwden er in hetzelfde jaar en kregen in hetzelfde jaar allebei een dochter. Ze spraken niets af, het ging gewoon zo, hun levens verliepen griezelig parallel. Tessa was nu bijna een jaar gescheiden. Gina nog niet. Daarin was Tessa haar dus voor.
‘Het is schandalig. We moeten echt binnenkort afspreken. We moeten nodig bijkletsen.’ Dat was de strekking van de berichten die ze de laatste jaren over en weer stuurden. Het kwam er haast nooit van, al woonden ze maar een kwartiertje fietsen bij elkaar vandaan. Ze hadden hun eigen leven en hun eigen vrienden. Het feit dat de ander bestond leek genoeg.
Maar de vorige maand waren ze allebei veertig geworden en ze trakteerden elkaar op een midweek weg. Het leven ging beginnen. Nu echt. Dat wilden ze vieren, samen met de dochters. Ze hielden allemaal van zee en zon.
‘Jij hoeft echt niet jaloers op me te zijn, Tess,’ had Gina de eerste avond plotseling gezegd. Het was ver na middernacht maar ze zaten in hun jurkjes buiten.
‘Waarom zou ik jaloers op jou zijn?’ Tessa keek in de vlam van het waxinelichtje voor hen op tafel, tussen de lege champagneglazen. De bak Bugles. Ze bleef er vanaf. Tessa hoorde haar vriendin wel kletsen – ook het aanhoudende gekraak van de chips tussen haar kiezen –, maar kon haar niet zien. Net zoals ze de krekels wel hoorde. Een oorverdovend geluid. Alsof ze ergens diep in het zuiden van Europa zaten in plaats van twintig kilometer van huis. Het is niet ver weg, dacht ze. Als het niet gaat, ben je zo thuis.
‘Hier is nog echte duisternis, Gien,’ zei ze toen. ‘Het is lang geleden dat alles zo verschrikkelijk zwart was.’
‘Jij hebt een geweldige dochter, weet je dat wel?’
‘Ja. Hoezo?’
Gina sloeg op haar dijen om haar woorden kracht bij te zetten en schonk hun glazen weer tot aan de rand vol. Zodra er een nieuwe hand Bugles in haar mond verdween, kieperde Tessa haar eigen glas in het struikgewas leeg. Ze wilde geen spelbreker zijn.
‘Ik zie mijn Milly nu echt elke dag een stukje verder van mij weggaan, elke dag is ze weer iets minder van mij. Ze heeft mij haast niet meer nodig. Voor je het weet is ze helemaal weg. Komt ze alleen met kerst nog bij ons langs.’
‘Dat heb ik niet, nee.’
‘Nee. Ik ben juist jaloers op jou! Had je niet gedacht, hè?’
Gina sprak met dubbele tong. Ze kan beter naar bed gaan, dacht Tessa. Voor ze nog meer zegt.
Tessa stond op en zei dat ze ging slapen. Over een paar uur zat ze samen met haar meisje te puzzelen aan de lage tafel in de woonkamer. Zes uur, daar kon je de klok op gelijkzetten. Puzzelen is goed, dacht ze, puzzelen is heel goed. Het verbindt de hersenhelften.